HSB Beker: "Ik heb een hekel aan schakers"

Schakers

“Ik heb een hekel aan schakers”. Een luchtige, maar harde uitspraak van een voorzitter van nota bene een schaakclub. Ik was zelf al blij dat de voorzitter ten minste op was komen dagen. Om 19:00 zou er worden verzameld, maar de enige aanwezige was de charmante Barbara. Als ze al weg zijn kan ik altijd nog aan de bar gaan zitten, dacht ik. Om 19:07 reed er een Ford met te hoge snelheid het parkeerterrein op, met het ludieke gezicht van onze voorzitter achter het stuur. “Waar is Arno?” (van der Lubben, red) vroeg hij zich niet verontschuldigend voor het feit dat hij zelf te laat was. Ik wist het niet, hij ook niet en de voicemail van Arno wist het ook niet. Op dat moment liep er een jongedame met rode krullen en net iets te korte rok het clubgebouw uit (waarom heb ik haar nooit op donderdag gezien?). Allebei enigszins gedesillusioneerd besloten we richting het adres te rijden wat we in de ledenlijst vonden. Daar brandde licht, maar toen we wisten hoe de bel werkte werd er niet open gedaan. Toch brandde er licht. Een vriendelijke blonde buurvrouw wenste ons een goede avond, maar daar geloofde ik op dat moment niet in. Twee schakers in Zoetermeer, één mogelijk onderweg en één spoorloos. Wie was er dan in Rijswijk? Jelle Bulthuis, die ons later nog verontrust opbelde. Eerst probeerden we een vierde schaker aan ons team toe te voegen, wat nog lastig bleek, omdat niemand onze telefoonoproepen beantwoordde. Dit wat toch een net tijdstip? Wanneer je het niet verwacht meldt Arno zich opeens. Met de legendarische woorden, nee, met het legendarische woord “uhm” gaf hij teken van leven. Hij bleek zich in een ander, verder gelegen deel van Zoetermeer te bevinden. Daarheen rijdende bedachten we de wildste verhalen waarom hij zo lang onbereikbaar was voor de buitenwereld. “Ik sliep”, bleek achteraf zijn antwoord. We haalden hem op, beantwoordden het telefoontje van Jelle, die overigens ook onze vierde schaker nog niet gezien had, en reden verder richting Rijswijk. Met dubbele parkeertickets per auto begaven we ons richting het clubgebouw, waar de klokken al enige tijd geleden waren aangezet. Gelukkig was onze bord-2-speler inmiddels gearriveerd en waren we, weliswaar te laat, in ieder geval met vier spelers. Ik kon me vinden in die woorden van de voorzitter, ook ik kreeg inmiddels een hekel aan schakers.

Waarom zijn schakers altijd van die eigenzinnige figuren? Je kunt een ledenlijst van een willekeurige schaakclub aflopen, er is met ieder lid wel iets bijzonders aan de hand. Ik wilde het uit mijn hoofd zetten, mij concentreren op de zoveelste partij waar ik weer iets weggegeven had. Het leek me het goede moment om ook iets te drinken weg te geven. Helaas bleek de toch wel gezellige vereniging waar we inmiddels beland waren niet uitgerust met een pinapparaat. Gelukkig kon ik ergens een tientje lenen, in ruil voor een keelsnoepje. “Cola en een spaatje rood” zei ik aan de bar, waar in deze tijd van het jaar niet alleen koekjes, maar ook pepernoten te vinden waren. “Kom nog eens terug”, fluisterde de bardame me toe. Ik besloot er niet te lang over na te denken. Dat laatste gold ook voor de stellingen van mijn teamgenoten, waar ik eigenlijk geen touw aan kon vastknopen. Dat is trouwens niet helemaal waar, want de stelling van onze slaapkop was na 10 zetten eigenlijk al remise. Toen ik op een gegeven moment zag dat ik als enige en laatste nog bezig was, vroeg ik onze voorzitter naar de stand. “Anderhalf – half achter. Nee wacht, ik zeg het fout. Anderhalf – half gelijk”. De stand was me niet helemaal duidelijk, waarop ik nog een stuk weggaf. Ik heb een hekel aan schakers, bedacht ik me. Nog 30 seconden, mijn tegenstander nog 4 minuten. Gelukkig speelden we met increment. Ik besloot mijn laatste troefkaart uit te spelen, spelen op een remise. Mijn tegenstander had mijn pion inmiddels vast en zag dat ik een dolle toren zou gaan versieren. Ik heb een hekel aan schakers, moet hij gedacht hebben. Hij moest slaan en een remise incasseren. Deze merkwaardige avond zou in een snelschaakwedstrijd beslist gaan worden. Ik besloot me even af te zonderen bij de waterplaats.

Hoe belangrijk was deze wedstrijd? Niet. Eerste ronde Haagse beker. Toch bleek er voor het eerst sinds tijden meer adrenaline in mijn bloed te zitten dan alcohol, wat een soort onwillekeurige trillingen veroorzaakte. Daarop kocht ik wat gerstenat en liep daarna weer richting de speelzaal. Ik zag dat ik niet de enige was die zich even moest voorbereiden. De wedstrijdleider was meer mensen kwijt. “Gewoon de klokken aanzetten”, was zijn advies, waarna hij toch trachtte alle schakers weer bijeen te roepen. Er zou gesnelschaakt worden. Er klonk een soort grap over noteren die eigenlijk niemand hoorde. Wat omstanders lachten, verder gespannen koppies.

Ik weet niet wat er precies gebeurde, de uitslag was in ieder geval duidelijk. 4-0 voor Botwinnik. Door in de beker! De tegenstander feliciteerde ons. Waren er dan toch normale schakers? Nee, nee dat klopt niet. Ik geloof het niet. Ik had er nog steeds een hekel aan, hoewel deze toch best meevielen. Ik besloot nog een paar groene flesjes te bestellen, niet eens om de overwinning te vieren, maar om een snelschaaktrauma af te sluiten. Ruim een jaar geleden leed ik een bijzonder pijnlijke snelschaaknederlaag tegen Wilco Kort (ik weet dat je dit leest en in je vuistje lacht). Later heb ik hem nog een aantal keer verslagen, maar toen ging het er natuurlijk niet echt om. Ik werd wel lid van de vereniging. Waarom zat ik zo met één verlies? En waarom word ik lid van een club waar ik zo onderuit gegaan ben? Ook ik bleek een schaker, zo iemand waar ik eigenlijk een hekel aan heb. Ik zet het van me af. Genieten van de winst. Door in de beker. “We hebben een dreamteam”, sprak onze voorzitter, die opeens toch wel opvallend positief was over een stel schakers…

 

Davin Mostert.